Het aanzien van de politiek

Het aanzien van de politiek

Remieg Aerts, hoogleraar politieke geschiedenis, heeft een lezenswaardig essay afgeleverd met ‘Het aanzien van de politiek.’ Aerts maakt overtuigend duidelijk dat zorgen over het tanende aanzien van de politiek van alle tijden zijn. Zijn betoog, dat ik zoveel mogelijk in Aerts’ eigen bewoordingen heb weergegeven, luidt op hoofdlijnen als volgt.

Het aanzien van de politiek is altijd fragiel geweest
Toen de adel en de patriciërs zich eind 19e eeuw geleidelijk uit de politiek terug trokken, was dat volgens commentatoren slecht voor het politieke aanzien dat tot rond de Eerste Wereldoorlog nog voornamelijk samenviel met sociaal aanzien. In de jaren zestig van de vorige eeuw luidde de kritiek van Nieuw Links dat de geïnstitutionaliseerde politiek was verworden tot een instrument van het grootkapitaal. De democratie moest overal zijn. De gevestigde orde daarentegen beschouwde juist deze nieuwe, assertieve participatiedemocratie als een teken van crisis. En sinds het roerige jaar 2002 waarin het eerste kabinet-Balkenende met openlijk ruziënde LPF-ministers ten val kwam, is het onder parlementariërs bon ton om hun eigen werk als vies en vunzig te kenschetsen. Maar over het geheel genomen luiden de klachten in ieder tijdsgewricht ongeveer hetzelfde: het parlement is traag, praatgraag en ruzieachtig. Politici zijn ijdeltuiten, opportunisten en leugenaars. En de politiek als geheel is een duistere bezigheid waarbij je snel vuile handen maakt. Het aanzien van de politiek is dan ook altijd fragiel geweest, concludeert Aerts.

Gezag, macht, wezenlijke belangen en sociaal milieu
Aerts analyseert het begrip politiek aanzien en stelt dat er vier factoren in het geding zijn. Om te beginnen impliceert politiek aanzien zowel gezag als macht, dus zowel moreel prestige als toegang tot machtsmiddelen. Politiek heeft verder vooral aanzien in tijden waarin zij voor velen belangrijk is, omdat zij wezenlijk veranderingen te beweeg brengt, zoals in de opbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. En een laatste factor is de sociale status van het milieu waartoe politici behoren.

De kloof
De alarmistische toon over het dalende politieke aanzien, en in het bijzonder over de vermeende kloof tussen burgers en politiek vindt Aerts onterecht. Er is slechts in beperkte mate sprake van afwijzing van de politiek en politici als zodanig. De opkomst bij verkiezingen is hoog. De tevredenheid over het democratisch bestel en het vertrouwen in het parlement zijn groot. Wel worden er met grote regelmaat allerlei voorstellen tot verbeteringen van het huidige systeem aangedragen.

Representatieve democratie gedijt bij een zekere afstand
Daarbij waarschuwt Aerts voor een verkeerd gebruik van de metafoor over de kloof. Alleen door afstand kan de politiek de complexe gevoelens en tegenstrijdige belangen vanuit de maatschappij definiëren en afwegen. Politici moeten wel luisteren naar de kiezers, maar hen niet gehoorzamen. In een pluralistische democratie kan de politiek alleen functioneren door distantie en een bepaalde mate van autonomie en eigen verantwoordelijkheid. En in onze toeschouwersdemocratie is het feitelijk ook de verwachting van de burgers dat het primaat bij de politiek ligt. Het is dan ook de vraag of het aanbieden van meer democratie en interactieve beleidsontwikkeling het juiste antwoord vormt op de gevoelde onvrede. Burgers geven immers aan dat zij meer gehoord en geraadpleegd willen worden, maar niet dat zij – behalve soms op lokaal niveau – bereid zijn actiever te participeren. De representatieve democratie gedijt bij een zekere afstand tussen kiezers en gekozen, zoals bij een theater waarbij de acteurs op een podium staan om hun rol te vervullen en de bezoekers toeschouwer zijn.

Politiek verliest aan invloed
Sinds de verzorgingsstaat in crisis is geraakt en het idee van de maakbare samenleving als een illusie is opgegeven, hebben politici het zwaarder gekregen. De nationale politiek lijkt in de afgelopen twee decennia haar bijzondere positie als centrum van macht, besluitvorming en belangenbehartiging nadrukkelijker te moeten delen met de markt, supranationale instellingen en semiautonome uitvoeringsorganisaties. Burgers benaderen de overheid steeds meer als een dienstverlenend apparaat dat moet leveren. Met steeds minder schroom wordt eventuele onvrede geuit.

Commerciële televisie
Ook de opkomst van commerciële televisiestations laat zijn sporen na. Niet het bewaken van de democratie zien zij als hun belangrijkste taak, maar het vergroten van hun marktaandeel. Dat is van invloed op de wijze waarop zij het politieke bedrijf in beeld brengen. Net zoals bij koningshuizen, de amusementswereld, sport en zakenleven, is de journalistiek op zoek naar de onthulling van affaires, conflicten, persoonlijke tegenstellingen, drama en emotie. Die journalistiek heeft geen partijpolitieke bedoelingen, maar behandelt de politiek als een van de elitemilieus die voortdurend balanceren tussen publiek aanzien en publieke vergruizing.

Het zijn ook maar gewoon mensen
In hun behoefte zich te profileren, nemen politici deel aan interviews, reportages en amusementsprogramma’s buiten de politieke sfeer. Ze nemen plaats aan de stamtafel van Barend en Van Dorp of lopen een dagje mee als leerling-journalist. Volgens sommige communicatiedeskundigen ligt in op de persoon en emotie gerichte stijl van de populaire cultuur voor politici de mogelijkheid om het vertrouwen van het electoraat terug te winnen. Inderdaad zullen politici daar gewonere mensen van worden, waardoor veel burgers zich beter met hen kunnen identificeren. De vraag is echter of dat hun politieke functioneren bevordert. Uit gewoonheid en herkenning groeit geen moreel of professioneel gezag. Doordat politici zo veelvuldig in beeld zijn slijt hun imago sneller dan voorheen, toen zij niet dagelijks op een groot aantal zenders te horen en te zien waren.

De politiek als A-merk
Het betoog van Aerts leidt tot de conclusie dat het verkleinen van de kloof tussen politici en kiezers niet bijdraagt aan het aanzien van de politiek. Het zou juist goed zijn als de functionele fictie van het politieke theater zou worden versterkt. In marketingtermen gedacht, zou de politiek als een A-merk moeten worden benaderd. Het openbaar bestuur moet daartoe beleidsprestaties en goed functionerende wetgeving kunnen tonen en verder zou de politiek zuinig moeten zijn op het overgeleverde prestige van het openbaar bestuur. Iets meer grandeur zou geen kwaad kunnen. Iets meer beroepstrots bij politici is op zijn plaats, want politiek is een moeilijk vak, dat met bewonderenswaardige vaardigheid kan worden beoefend. Volgens Aerts heeft de politiek eerder in de geschiedenis haar prestige opgewaardeerd. De vroegmoderne monarchen deden het met succes. En ook de parlementaire politiek in de 19e eeuw heeft haar gezag moeten vestigen. En beide gevallen was grotendeels een zaak van attitude en uitstraling. Of dat nu opnieuw gaat lukken is maar de vraag. De Nederlandse politiek kent weinig uiterlijk vertoon. Het ritueel van verkiezingsdag is in Nederland nooit een feest van de democratie geworden. Misschien zit het er dan ook niet in en komt het uiteindelijk aan op het opnieuw verwerven van moreel gezag en een correcte rolvervulling.

Jan Meijer