Terreur is communicatie. Contraterreur ook.

Als inleiding op onze ontmoeting op 5 september 2011, een aantal gedachten ter bevordering van de discussie over en naar aanleiding van het keuzeboek. ‘Nine eleven’ is die week precies tien jaar geleden…

28 augustus 2011 door Rein van Gisteren

Historica Beatrice de Graaf bestudeerde ervaringen met de strijd tegen terreur in vier landen: Nederland, Duitsland, de VS en Italië. Zonder dat het met zoveel woorden op de kaft staat, gaat haar boek over communicatie in relatie tot terreur en contraterreur. Het geweld en vooral de intimidatie zijn immers een radicale communicatiedaad, een reactie op vermeend onbegrip. Hoe moet je deze duiden? Welke tegenreactie roepen ze op bij dader of bestrijder en hun publieksgroepen? Wat is de rol van symboliek en stigma’s? Wanneer leidt doodzwijgen tot extinctie? Wat waren de effecten van de Dutch approach en van de repressieve aanpak van bijvoorbeeld de Duitsers? Hoe voorkom je escalatie en wanneer pakt contraterreur contraproductief uit? Met welke manoeuvres werk je het ideaal van terroristen onbedoeld in de hand? Een leerzaam en onthullend vakboek over metacommunicatie.

–Al in 1968 rapporteert de CIA dat er geen sprake is van steun door Russen of Chinezen: achteraf blijkt ‘Angela Davis’ – tegen haar wil – vooral een sociale constructie te zijn van haar bestrijders. De staat zocht een mikpunt voor het rechtvaardigen van zijn communistenjacht. Men had er zelfs geen moeite mee om bewijsmateriaal te creëren. Beatrice de Graaf signaleert fijntjes dat het einde van de gevreesde Weather Underground samenviel met de val van president Nixon en FBI-chef Hoover…–

Haar studie heet THEATER VAN DE ANGST. De term theater zou ik willen vertalen met strijdtoneel. Het gaat bij terrorisme niet zozeer om de fysieke plaats maar om het veroveren van de sociale ruimte, om afgedwongen aandacht voor de ‘voorstelling’ van een onbekende ideologie. Opdrachtgever voor het boek was de Nederlandse Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding die ook het voorwoord leverde. Het (empirische / beschrijvende) begin ervan verslaat de tijd van de Rode Jeugd, de Molukse gijzelingen, de Rote Armee Fraktion, de Weather Underground Organisation en de Brigate Rosse. Zeg maar de vorige eeuw vanaf eind jaren zestig. Hoe reageerden overheden toen op (vermeende) dreigingen en aanslagen? En welke lessen kunnen we daar nu uit trekken?

Begrippen als terreur en contraterreur zijn inwisselbaar. Ze zijn verbonden met een ideologie. Het boek beschrijft terreur vanuit het perspectief van de overheid als terreurbestrijder. Dat is een perspectief waar soms ook vragen bij zijn te stellen omdat staatsterreur (die natuurlijk net zo goed vraagt om een contrastrategie) er buiten valt. Zo blijft de Franse bomaanslag in 1985 tegen Greenpeace buiten het kader van dit boek. Vanuit een democratisch perspectief hield ook Gladio zich in Europa bezig met staatsterreur, maar alleen de opheffing van de Nederlandse tak ervan (onder Lubbers in 1992) is parlementair gelegitimeerd.

–Een cartoon in De Morgen van 25 augustus 2011 verbeeldt de impact van staatsterreur. ‘Kadhafi is gevonden’, zegt de een. ‘Hij zit in ons hoofd’, bevestigt de ander.–

Het is een intrigerend en soms ook hilarisch onderzoek waar ik dankzij VPRO’s boekenman Wim Brands begin 2010 op stuitte. De Graaf heeft het over ‘een veelvoud aan spannende, tragische, opmerkelijke en absurde verhalen’. En dat is niet overdreven. Dat de Eindhovense Rode Jeugd moet zijn geïnfiltreerd, kon je wel bevroeden, maar dat ze ooit voor driekwart (!) bestond uit BVD-ers schreef ik tot voor kort toe aan paranoïde geesten. BVD-ers, niet aan de slag voor de revolutie maar voor het Rijk… Het jongensboekgehalte is nog hoger. Een poster uit 1973 toont een ontmaskerde BVD-infiltrant met de schuilnaam J. de Roo… Een anagram dat voor driekwart klopt, net zo gemankeerd als de Rode Jeugd zelf. Maar, het is de BVD wél gelukt om de werking van deze terreurgroep van binnenuit zo te verstoren dat haar dreiging kon worden geneutraliseerd. Andere eyeopeners in het hoofdstuk over Nederland vond ik de rivaliteit van ambtelijke diensten, de competentiestrijd tussen bestuurders en de relatief late erkenning die contraterrorisme kreeg binnen de structuren van de staat.

–Bij 10.515 aanslagen in Italië vielen liefst 351 doden. Het betrof niet alleen geweld van de Rode Brigades. De Graaf maakt plausibel dat de overheid er zelf diep in zat. Maar de Italiaanse archieven zijn of weg of nog steeds gesloten. Huiveringwekkend is het te lezen dat er in Italië ook aanslagen in scene zijn gezet om de politieke status quo via een sfeer van collectieve angst en repressie te kunnen handhaven. Onthullend vond ik dat François Mitterrand (ja, dezelfde president die persoonlijk opdracht gaf voor de aanslag op de Rainbow Warrior), uit verontwaardiging over de strenge antiterrorismewetgeving, gevluchte Italiaanse radicalen beloofde niet uit te zullen leveren.–

Een studie als deze is niks zonder de introductie van een ingewikkelde term. Sleutelbegrip werd: performativiteit ofwel performative power. Het voordeel daarvan is dat je dan weer wat uit te leggen hebt. De auteur verklaart het via onder meer ‘voorstellings- annex overtuigingskracht’. Woorden die volgens mij ook in de buurt komen, zijn mobiliseringpotentieel en vertel- of zeggingskracht of zo je wilt de narratieve impact om een tereurgerelateerd voorval te kunnen duiden. De Graaf verbindt haar term vooral aan contraterreur, maar hij is natuurlijk net zo goed bruikbaar voor het onderzoeken van de betekenis van initiële terreur.

–Na een terreurdaad dringen de duiders zich meteen op. Van welke kant kwam de kogel? Bij ‘Oslo’ leek het om de vraag te gaan welke politicus er als eerste in slaagt om de ander te dwingen er óók krachtig afstand van te nemen. Journalisten doen meer dan alleen neutraal registreren: ze selecteren, articuleren, activeren, participeren en mobiliseren. De media beschikken over een grote definitiemacht. Terreur krijgt pas betekenis door de reactie die zij er aan verlenen. Zo werd nine eleven een icoon. Andere catastrofes met meer doden kregen die betekenis niet, omdat CNN er geen schotelwagens heeft staan. De traditionele journalistiek werkt als kluitjesvoetbal. Zodra er ergens een bom barst vliegen hele meutes reporters er op af en prevelen voorspelbare clichés. Hoe Is De Situatie Bij Jou Nu? Slotzin: ‘Als er tijdens de uitzending nog ontwikkelingen zijn, dan komen we nog bij je terug.’ Journalistiek met de diepgang van een hovercraft.–

De Graaf noteert een markant gegeven. Soms wordt terreur pas door geschiedschrijvers als zodanig geduid. ‘Gijzelingen en kapingen in Drenthe’ linken we aan het gewelddadige Zuid-Molukse verzet. Wiedes. Maar waarom de bankovervallen uit 1970 en 1971 niet? Omdat ze toen door de overheid niet werden gekoppeld aan het RMS-ideaal. Ze werden onder de mat van de Trêveszaal geveegd. Een voorbeeld is ook de terughoudendheid over de in Nederland in 1974 en 1975 verijdelde aanslagen van Palestijnse commando’s. Ze kregen pas een plek in de geschiedenis toen het beoogde effect onschadelijk leek. Ook in 1969 werd een Palestijnse aanslag in Den Haag niet als een terreurdaad gedefinieerd. De Telegraaf was toen nuchter en kopte: ‘Arabische kinderen wierpen granaten’.

Performativiteit is volgens de auteur het verzamelbegrip voor parameters als agendasetting (formulering, vormgeving), draagvlak en discours (verklaringen, wetsvoorstellen, maatregelen, uitlatingen van ministers). Is de performativiteit van de terrorismebestrijding gering, dan heeft deze over het algemeen sneller een neutraliserend effect op radicalisering en politiek geweld dan wanneer zij als een meeslepend drama wordt aangepakt. De effectiviteit van de bestrijding wordt niet vanzelf groter door méér macht, bevoegdheden of middelen. De Graaf concludeert dat de keuze voor ‘punctuele’ misdaadbestrijding, terughoudend taalgebruik en een zekere mate van geheimhouding op de (middel-)lange termijn de beste resultaten oplevert voor het behoud van de maatschappelijke vrede. De Noren deden het deze zomer slimmer: geen isolationisme, maar een roep op ‘meer democratie’.

Contraterrorismebeleid wordt door de auteur al ras gekoppeld aan centrále maatregelen door de overheid. Dat is logisch voor wie het fenomeen ordent langs de lijnen van de vier rechtsstaten waar je je in je onderzoek op focust. Maar er vallen volgens mij ook vragen te stellen bij de centralisatiereflex die zich traditioneel meester maakt van onderzoekers, bestuurders en journalisten. Terrorisme is een asymmetrische geweldsreactie waarbij rechtsstaat en landsgrenzen juist een geringe betekenis hebben. Vanuit de rampenbestrijding weten we: tijdens een incident moet je opschalen, maar daarna moet je weer zo snel mogelijk terug naar de basis. Het afleggen van verantwoording hoort daar als vanzelfsprekend bij. De dwanggedachte dat de overheidsaanpak slagvaardiger wordt mits zij wordt gecentraliseerd verdient een nadere bezinning.–

–Ideologisch geweld en de weerbaarheid tegen -ismen bestrijd je preventief vanuit de basis via onderwijs en opvoeding. Bange mensen conditioneren hun kinderen, anderen leren hun kroost omgaan met hun vrijheden en met die van anderen. Jeugdzorg, cultuur, buurtwerk en sport zijn een voedingsbodem voor het ontwikkelen van een democratisch besef en een middel om opkomend onheil zoals radicalisering te monitoren. In die brede zin is contraterrorisme géén exclusieve taak voor centrale veiligheidsdiensten.–

Overreacties kunnen contraproductief uitpakken. Ze kunnen onveiligheidsgevoelens versterken. Hysterische overheidsreacties kunnen tegengeweld uitlokken. Provocerende oneliners zoals ‘War on Terror’ en de ‘Axis of Evil’ en ongefundeerde uitspraken over ‘Weapons of mass destruction’ verkleinden het aanzien van de regerende macht in de VS. Ook de Nederlandse overheidscampagnes om burgers alert te maken op ‘iets verdachts’ kunnen precies het tegenovergestelde effect sorteren. Ik heb nog geen positieve evaluaties kunnen vinden.

NTCb-topman Erik Akerboom merkt in zijn voorwoord op dat Beatrice de Graaf laat zien dat een sterkere focus op chirurgische operaties van inlichtingendiensten en politie wellicht een gunstiger effect sorteren, dan grootschalige alerteringscampagnes of een demonstratieve etalering van staatsmacht. Helemaal mee eens. Ook met de conclusie die Akerboom er aan verbindt, dat dit impliceert dat elke maatregel die wordt genomen tegen het terrorisme, voortdurend gemonitord moet worden op de effecten van bewuste of onbewust uitgezonden overheidsboodschappen. Vooral dat laatste vind ik een belangrijk studiedoel, aandacht voor onbedoelde neveneffecten van overheidsbeleid.

 

 

3 reacties op “Terreur is communicatie. Contraterreur ook.”

  1. Loogman  on augustus 29th, 2011

    Beste Rein,

    Dank voor jouw bijdrage. Helaas kan ik 5 september niet aanwezig zijn. Ik wens jullie een goede bijeenkomst toe.

    Groet,
    Henriette

  2. Otto  on september 2nd, 2011

    In dit verband interessante uitspraken van het voormalig hoofd vande Britse MI5: http://www.guardian.co.uk/uk/2011/sep/02/mi5-war-on-terror-criticism

  3. Rein van Gisteren  on september 5th, 2011

    Tsja, wie en wat moet je nog geloven? In De Morgen staat vandaag dat Tony Blair in 2002 het zoontje van Kadhafi hielp met zijn scriptie aan de London School of Economics: deze Said heeft vervolgens aan het Britse LSE-universiteitsbestuur 1,6 mln euro gedoneerd. Said mocht vervolgens weer een prestigieuze lezing houden… Allemaal niet zo best voor het aanzien van de staat


Reageer

Je moet inloggen om te reageren.