Archief van

Tegen verkiezingen

Beste mensen,

 

Het is al te lang stil hier. Is het nieuwe boekje van David van Reybrouck “Tegen verkiezingen” niet een mooie aanleiding om weer eens bij elkaar te komen?

Op een maandagavond in November bijvoorbeeld?

Otto Cox

 

In gezwinde pas de burger voorbij

D66 heeft een merkwaardige manier van campagnevoeren. Vandaag deed de D66-campagnebus station Leiden aan. Ik wilde wel een paar D66-kamerleden aan de tand voelen over een kwestie die mij hoog zit, dus ik rook mijn kans. Bij het station aangekomen zag ik een groep D66-ers zich in campagne-T-shirts hullen om vervolgens met gezwinde pas richting het centrum van Leiden te vertrekken. De aankondiging had weliswaar “stationsplein” vermeld maar dat men het centrum van Leiden wilde opzoeken om met potentiële kiezers in gesprek te raken kon ik wel begrijpen. “Nu, vooruit dan maar,” dacht ik en pakte mijn fiets om naar het centrum te peddelen. Daar begon het al gezellig druk te worden en ik verheugde mij op de discussie.
Tot mijn verbazing bleef de D66-groep in een flink tempo doorwandelen langs de Leidse grachten en stegen. Hier en daar een flyer uitdelend maar nergens halt houdend om in gesprek te gaan.
Door mij op het Rapenburg in hinderlaag op te stellen kon ik de karavaan tot stilstand brengen. Nee, ik hoefde geen flyer maar wilde in gesprek over democratie. Over de plannen van D66 voor het halveren van het aantal gemeenten en provincies. En vooral over de gevolgen daarvan voor de democratie en de invloed van de burger, want de D66-plannen gaan daar slecht voor uitpakken. Ze leiden tot een nog grotere afstand tussen burger en bestuur en een nog kleinere invloed van burgers. Vermeende efficiency mag volgens mij niet het enige criterium zijn voor de inrichting van het openbaar bestuur. Nietwaar, beste Democraten ‘66?
Het gesprek verliep teleurstellend. De D66-ers, kandidaat-kamerleden en raadsleden, blijken vooral gericht te zijn op daadkrachtige besluitvorming en storen zich aan de hindermacht van kleine gemeenten. Over de grotere afstand tussen bestuur en burger en hun mindere invloed kwam geen heldere visie naar voren. Met een krachtiger bestuur zou dat vanzelf wel goed komen en de burger kan ook wel iets verder fietsen naar een gemeentehuis. Er klonk ook frustratie in door van bestuurders van grote gemeenten over het dwarsliggen van kleinere gemeenten in de regio.
Net toen ik mij aanzette voor een geanimeerde discussie braken de D66-ers het gesprek af. Ze moesten de bus halen voor een bezoek aan een volgende gemeente. En ze verdwenen met gezwinde, daadkrachtige pas achter de horizon. Ook achter mijn kiezershorizon, want ik vrees dat deze manier van campagnevoeren symbolisch is voor de manier waarop D66 het gesprek met de burger wil aangaan.

© Otto Cox, 9 september 2012

Voorstel bijeenkomst 30 januari 2012: Framing

Rein, Jan en ik stellen voor om de volgende bijeenkomst van onze leesclub te houden als iedereen de oliebollen en nieuwjaarsrecepties heeft verteerd, namelijk op maandag 30 januari 2012.

Ons voorstel voor het boek is : Framing, van Hans de Bruin.

Het boek is net verschenen en bespreekt framing in de politieke arena. Hans de Bruin, hoogleraar bestuurskunde in Delft, bespreekt vragen als: wat is de structuur van een goed frame, wat moet je met een eenvoudig frame als de werkelijkheid ingewikkeld is en ook: wie is beter in framing: links of rechts? Zie ook: www.plataan.nl/result_titel.asp?Id=3291

We horen graag van jullie of je wat ziet in ons boekvoorstel en of je erbij bent op 30 januari.

Nussbaum heeft een punt, maar had het scherper gemoeten?

De bespreking van ‘Not for profit’ van Martha Nussbaum vond plaats in klein maar aangenaam gezelschap. Onze conclusie was dat ze een valide punt heeft. Aandacht voor zaken als geschiedenis, creatieve vakken, logica en kritisch nadenken is gewenst in het onderwijs, en trouwens ook daarbuiten. En de waardering van deze zaken die geen onmiddellijk economisch nut hebben staat onder druk.

Maar onze mening over de manier waarop ze haar punt probeerde te maken liep wat uiteen. Waar de een het boek in één ruk had uitgelezen vond de ander dat het allemaal wel wat scherper had gekund.

Ook over de manier waarop Nussbaum het systeem van het onderwijs in de ‘liberal arts’ in de VS als ideaal verkondigde waren we niet onverdeeld enthousiast. Er zijn ook andere manieren om dat ideaal te bereiken dan het onderwijs in de VS, en komt dat brede ‘liberal arts’ programma vooral de bovenlaag ten goede en is het probleem van niveau en toegankelijkheid van het basisonderwijs in de VS een minstens zo dringend probleem. Ook het verband tussen het ‘liberal arts’ onderwijs en een goed functionerende democratie is volgens ons niet zo één op één als Nussbaum beweert.

Wel kunnen we het helemaal eens zijn met het belang van kritisch leren denken, vragen leren stellen en het vermogen je te verplaatsen in anderen. En ja, dat staat onder druk, van economische argumenten, steeds strakkere regels en bijvoorbeeld ook door de publicatiedwang bij de universiteiten, waardoor onderwijs daar min of meer een ondergeschoven kind lijkt te zijn. Overigens geeft juist de nadruk die men legt op het belang van de kenniseconomie en het creatief ondernemerschap ook een sterk economisch argument voor een bredere opleiding en voor vakken die geen onmiddellijk aanwijsbaar nut hebben. En dat argument mag ook best vaker worden gebruikt in de discussies hierover.

Burger en bestuur

Even tussendoor wil ik jullie aandacht vestigen op een symposium dat ik -mede- organiseer: “Verbroken verbinding of in gesprek?” Centraal thema: de mondige burger organiseert zich steeds vaker horizontaal, wat slecht aansluit op de verticale manier van sturen van de overheid. Met Jaques Wallage, de G1000 uit België en vele anderen. Mocht je interesse hebben, kijk dan op www.burgerenbestuur.nl

Tot de 5e!

Korte impressie bespreking “Brave burgers gezocht”

“Brave burgers gezocht” is een interessant en actueel boek. Het zet je aan het denken. Dat concludeerden we bij de bespreking van het boek vanavond. We hebben het gehad over de manier waarop de overheid stuurt, over het belang van dwarse burgers, en over de krampachtige manier waarop vooral de landelijke politiek met participatie omgaat. Verder constateerden we dat het omgaan met verschillen voor de overheid lastig blijft en hebben we het over het ‘nudgen’ gehad. Voor een deel niet nieuw maar onder deze naam wel systematischer benoemd. De interessante vraag is niet in de eerste plaats óf een overheid mag nudgen maar wel waar de grenzen liggen en wanneer libertair paternalisme irritant paternalisme wordt.

In het algemeen goede essays in het boek, al wisselt de kwaliteit natuurlijk wel wat. Alleen jammer dat het laatste concluderende hoofdstuk wat oppervlakkig blijft. Er valt nog wel meer over te zeggen.

Brave burgers gezocht; I. Verhoeven en M. Ham (red); Van Gennep, december 2010

PS Jan, beterschap! Ook al was het een aangename bespreking, we hebben je toch gemist.

U draait wat braaf

“U draait en u bent niet eerlijk”, het volgens de flaptekst eerste boek over spindoctoring in Nederland, is eigenlijk een nogal braaf boek.

Het bestaat uit twee onderdelen: een beknopte beschrijving van spindoctoring in de Verenigde Staten en Engeland en een beschrijving van spindoctoring in Nederland, vooral op basis van een kwalitatief onderzoek.

Voorlichters zijn vooral bezig met beeldvorming en het overbrengen van de boodschap, politici leggen de nadruk op authenticiteit, politiek assistenten hebben te weinig mediacontacten om aan spindoctoring te kunnen doen en journalisten gebruiken altijd informatie uit verschillende bronnen wat de kans op spindoctoring beperkt houdt. Ik beschrijf het hier wat minder genuanceerd dan het boek, maar het is wel het beeld dat blijft hangen.

Dat ligt voor een belangrijk deel aan de onderzoeksmethode met diepte-interviews met verschillende betrokkenen. Het boek wekt de indruk dat die geïnterviewden bij hun antwoorden nogal zijn uitgegaan van opvattingen over “hoe het hoort” en minder van de dagelijkse praktijk. Nu is vooraf vaak moeilijk te zeggen wat diepte-interviews opleveren, maar achteraf gezien zou ik het waardevoller hebben gevonden als de onderzoekers enkele cases hadden uitgediept.

Eén en ander neemt niet weg, dat het boek -waarschijnlijk- terecht constateert dat er in Nederland niet veel spindoctors zijn, maar dat vrijwel alle betrokkenen wel met enige regelmaat gebruik maken van spintechnieken. Het boek besteedt dan ook veel aandacht aan een catalogisering van deze spintechnieken, die zijn onderverdeeld in vier categorieën: beeldvorming, framen, liegen en lekken. Daarbij blijkt hoe lastig het is om spindoctoring goed te definiëren. De auteurs komen er, zeker bij de eerste twee categorieën, niet goed uit. Vooral het framen vind ik niet uit de verf komen. Overigens zijn de auteurs zich bewust van het definitieprobleem en geven dat in het boek ook duidelijk aan.

Ook hier heb ik het gevoel dat een case-gerichte aanpak meer zou hebben opgeleverd. Bijvoorbeeld het framen van Wouter Bos als draaier, of het framen van het rekeningrijden (eerlijk betalen versus big brother).

Het aardigste deel van het boek zijn de beschrijvingen van spindoctoring in de Verenigde Staten en Engeland. Hoewel daar natuurlijk diepgaander studies over zijn verschenen bieden deze hoofdstukken een goed overzicht van de grootschalige en professionele aanpak van dit verschijnsel. Ook geeft het boek een goed overzicht van de opvattingen in Nederland over dit onderwerp. Maar dat is wat anders dan de  praktijk. Het baanbrekende boek daarover moet nog geschreven worden.

U draait en u bent niet eerlijk; Maarten Molenbeek en Chris Aalberts; SDU Uitgevers, Den Haag, 2010. ISBN 978 90 12 13352 4

Wat een duwtje kan doen bij lastige keuzes

Kunnen een jurist en een econoom een leesbaar boek schrijven dat ook nog interessant is voor de communicatieprofessional? Op het eerste gezicht lijkt de kans daarop minimaal, maar toch is het de econoom Richard Thaler en de jurist Cass Sunstein gelukt. ‘Nudge’ heet hun boek, en hoewel erg toegespitst op Amerikaanse voorbeelden biedt het stof tot nadenken over communicatie bij keuzeprocessen.

Rationele superbeslissers?

Nudge heeft twee hoofdlijnen, die nauw met elkaar verweven zijn. De ene hoofdlijn is het keuzegedrag van mensen en manieren om daar invloed op uit te oefenen. Cass en Sunstein zetten zich af tegen het dominante marktdenken dat ervan uitgaat dat mensen goed geïnformeerd en rationeel keuzes maken in hun eigen belang. ‘Econs’ noemen zij deze rationele superbeslissers en stellen daar de ‘humans’ tegenover, de gewone mensen als u en ik die op een andere manier tot hun keuzes komen. Vooral als het gaat om complexe keuzes die we niet vaak maken, zoals het afsluiten van een ziektekostenverzekering. De eerste vijf hoofdstukken, het beste deel van het boek, gaan over de manier waarop wij die keuzes maken. Dat gaat verrassend vaak op basis van vuistregels en onbewuste processen. Zo blijkt dat we het risico dat we 100 euro verliezen, bijvoorbeeld bij een gokspelletje, zwaarder laten wegen dan de kans dat we 100 euro winnen. Een ander belangrijk mechanisme is dat van de verankering: in onbekende situaties proberen mensen een verband te leggen met -makkelijk beschikbare- bekende informatie. Vaak gaat dat redelijk goed, maar net zo makkelijk sluipen totaal irrelevante ankers het besluitvormingsproces binnen. Vraag een groep mensen eerst een getal van drie cijfers op te schrijven en vraag ze daarna in welk jaar Atilla de Hun door Europa rondwaarde. Degenen die een hoog getal hebben opgeschreven zullen gemiddeld genomen een later jaartal als antwoord hebben gegeven dan gemiddeld. Dit verschijnsel staat in de communicatie bekend als ‘priming’ en is een krachtig middel van onder andere verkopers en fondsenwervers om hun klanten een duwtje in de goede richting te geven. Thaler en Sunstein beschrijven verschillende mechanismen om mensen een duwtje te geven bij keuzes en illustreren dat met voorbeelden en onderzoeksresultaten. Interessant is dat de economische invalshoek van Thaler en Sunstein inzichten oplevert die vaak overeenkomen met die van Cialdini (wiens werk zij overigens kennen). Maar zij vestigen ook aandacht op andere mechanismen, zoals de beschikbaarheid van concrete voorbeelden, misvattingen over de rol van toeval en een teveel aan optimisme bij mensen die voor een keuze staan. Een verschil met Cialdini is ook dat zij zich vooral richten op keuzes waarvan wij denken dat we ze bewust en rationeel maken. Het blijkt echter dat we bij het maken van die keuzes gevoelig zijn voor kleine ‘duwtjes’, met name door de context en manier waarop we de keuzemogelijkheden krijgen aangeboden. De ‘Nudges’ uit de titel van het boek.

Wanneer mag je duwen?

De tweede hoofdlijn van Nudge komt voort uit de vraag of en onder welke voorwaarden je mensen bij het maken van keuzes dat duwtje mag geven. Thaler en Sunstein tonen aan dat je altijd invloed uitoefent, ook als je op een ‘neutrale’ manier een groot aantal mogelijkheden presenteert. Zij zoeken een middenweg tussen dwang in één richting en de illusie van totale keuzevrijheid van de markt. Die middenweg noemen zij ‘Libertair paternalisme’, een manier van structureren van informatie die mensen hun keuzevrijheid laat, maar wel stuurt in een richting die het leven van die mensen beter maakt. Bijvoorbeeld door in een zelfbedieningsrestaurant gezonde gerechten op een makkelijk bereikbare plaats te zetten en vette gerechten wat verder weg. Libertair paternalisme komt overigens opvallend dicht in de buurt van de aloude definitie van voorlichting van Van den Ban: ‘Voorlichting is bewust gegeven hulp door middel van communicatie’. Thaler en Sunstein behandelen verschillende principes om keuzeprocessen te structureren, waarbij ze in het bijzonder aandacht besteden aan de vraag of je een standaardoptie moet aangeven en zo ja, welke.

Voorbeelden gezocht

Nudge biedt waardevolle aanknopingspunten voor communicatie rond keuzeprocessen, zoals het afsluiten van ziektekostenverzekeringen of een beslissing over orgaandonatie. Thaler en Sunstein werken dat uit op een aantal gebieden, zoals geld, sociale zekerheid en milieu. Daarbij is het  jammer dat veel voorbeelden zo Amerikaans zijn dat ze langs de meeste Nederlandse lezers heen zullen gaan. De ‘hot hand’ bij basketbal of de privatisering van het huwelijk roepen weinig herkenning op. Dat geldt ook voor de herhaalde verdediging van overheidsbemoeienis, die in de Amerikaanse context verklaarbaar is, maar voor een Nederlander niet altijd logisch aandoet.

Kortom, Nudge is een interessant boek, vooral in de eerste vijf hoofdstukken. Het boek was echter veel sterker geworden als in het tweede deel niet zozeer de Amerikaanse voorbeelden waren vertaald, maar als de Nederlandse uitgever een stapje verder was gegaan en de principes van Nudge echt had vertaald naar Nederlandse situaties. Bijvoorbeeld met de Gordeldiercampagne van Veilig Verkeer. Misschien kan iemand een duwtje in die richting geven bij een volgende uitgave.

Nudge – naar betere beslissingen over gezondheid, geluk en welvaart

Richard Thaler en Cass Sunstein, 2008 – Uitgeverij Business contact – ISBN 978 90 470 0126 3

Er is ook een website met blog: www.nudges.org

Hoe je met chocoladerepen kan komen te zitten

Ik kan niet zeggen dat mijn mensbeeld er tijdens mijn recente vakantie positiever op is geworden. Eerder het tegendeel. Dat komt door de vakboeken die ik -in alle rust en in een fraaie omgeving- heb gelezen.

De rode draad daarbij is hoe voorlichters, politici, verkopers en anderen gedrag van mensen proberen te beïnvloeden en vooral hoe mensen, inclusief u en ik, hun gedrag laten sturen. Dat gebeurt voor een zeer groot deel automatisch, onbewust. En dat is soms best verontrustend.

Het wordt allemaal helder uitgelegd in “Invloed – de zes geheimen van het overtuigen” van Robert Cialdini. “Wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren verkocht” roept de cover en daarmee maakt de uitgever gebruik van één van de zes beïnvloedingsprincipes uit het boek, namelijk sociale bewijskracht. Mensen kijken doorgaans naar anderen om te beslissen wat ze doen, vooral in situaties waarin onzekerheid een rol speelt. En als je twijfelt over de aankoop van een boek, dan biedt de opmerking dat een miljoen anderen je al zijn voorgegaan een krachtige aanbeveling. Hetzelfde mechanisme speelt een rol bij internetsites die gebruik maken van het oordeel van gebruikers. Maar het verklaart bijvoorbeeld ook waarom een grote groep mensen in een noodsituatie niet te hulp schiet en een individu wel. Het is een heel krachtig mechanisme dat vaak goed werkt maar soms tot ernstige of zelfs pijnlijke missers kan leiden.

En dat geldt voor elk van de zes beïnvloedingspincipes die Cialdini beschrijft. Ze zijn de trigger voor automatische handelingen of beslissingen, en dat is noodzakelijk. Als we al onze beslissingen weloverwogen en rationeel zouden willen nemen, dan hebben we geen leven meer. Bovendien zijn de beïnvloedingsmechanismen in het verleden mede de basis geweest voor het evolutionair succes van de mens als soort. Ze zijn dus van groot nut. Maar niet altijd. Bijvoorbeeld als anderen die mechanismen gebruiken om ons een kant op te sturen die we eigenlijk niet willen. Zo beschrijft Cialdini hoe hij op zeker moment met twee pasgekochte chocoladerepen in zijn hand stond terwijl hij helemaal niet van chocola houdt. Dat was overigens het gevolg van het principe van wederkerigheid, een van de andere beïnvloedingsprincipes. Wederkerigheid kan werken door het aanbieden van gunsten of geschenken, maar ook door eerst een vergaand verzoek te doen en vervolgens een kleiner verzoek. Door die -schijnbare- concessie voelt de ontvanger een zekere verplichting op dat kleinere verzoek in te gaan.

Cialdini legt de zes beïnvoedingsprincipes (wederkerigheid, commitment en consistentie, sociale bewijskracht, sympathie, autoriteit en schaarste) helder uit, onderbouwt ze met beschijvingen van onderzoeken en illustreert ze met ervaringen en verhalen uit de praktijk van anderen en van zichzelf. Zo liet hij zich opleiden tot verkoper om erachter te komen welke mechanismen verkopers gebruiken om kopers over de streep te halen.
De intentie van Cialdini is overigens niet om toekomstige meester-manipulatoren op te leiden. Door inzicht te bieden in het menselijk gedrag wil hij juist de weerbaarheid van mensen tegen ongewenste beïnvloeding vergroten. Ieder hoofdstuk bevat daarom ook een paragraaf “verdediging”. Dat neemt niet weg dat ook communicatieprofessionals en andere beïnvloeders hun voordeel kunnen doen met deze inzichten. Zo zou een aantal overheidscampagnes zeker effectiever zijn geweest als de maker de principes hadden toegepast.

Een boek dat zo’n breed palet van het menselijk gedrag beschrijft kan natuurlijk niet alles behandelen. Toch vind ik het van een aantal punten jammer dat Cialdini er niet op in gaat. Hij beschrijft bijvoorbeeld in hoofdstuk 1 dat er in de meeste situaties één kenmerk is dat het automatisch gedrag triggert. Maar in de volgende hoofdstukken maakt hij dat te weinig concreet. En er kan na herhaalde beïnvloedingspogingen een leereffect optreden, zoals hij in het voorbeeld van de Hara Krishna’s beschrijft. Ik had graag meer gelezen over dat leereffect. En wat ik ook mis is een slotbeschouwing over de verhouding van de zes beïnvloedingsmechanismen. Wanneer is welk mechanisme dominant, kunnen ze elkaar ook tegenwerken en zijn er bijvoorbeeld culturele verschillen. Over dat laatste heeft Cialdini overigens eerder iets geschreven. Zo bleek uit een onderzoek bij de Citibank dat in de VS wederkerigheid belangrijk is, in china autoriteit, in spanje sympathie en in duitsland consistentie. Wat ook vrijwel ontbreekt is de werking bij social mediasites en andere internettoepassingen. Maar dat is misschien een onderwerp voor een volgend boek.

Ondertussen hoort “Invloed” van Cialdini wat mij betreft tot de boeken die iedere communicatieprofessional op het bureau moet hebben liggen. Het is onmisbaar gereedschap voor het ontwikkelen en beoordelen van campagnes.

Robert B. Cialdini, Invloed – de zes geheimen van het overtuigen, 5w druk, SDU Uitgevers, ISBN 978 90 5261 715 2

(een recensie van de boeken “nudge” en “u draait en u bent niet eerlijk” volgt later)

Discussie over regiobestuur: en de burger dan?

Zoals op de laatste bijeenkomst afgesproken hierbij mijn artikeltjes over de  plannen voor het samenvoegen van overheden, en vooral de gevolgen voor de burger. Het is als ingezonden brief geplaatst in Binnenlands Bestuur.

Otto

De discussie over de overheidslagen heeft een nieuw bedenkelijk hoogtepunt opgeleverd met het recente voorstel van de Vereniging Nederlandse Gemeenten om alle regionale en plaatselijk overheden onder te brengen in 30 regio’s. Waarbij de VNG het niet erg vindt om die regio’s ‘gemeenten’ te noemen. Het is het meest vergaande in een reeks ideeën om overheidslagen samen te voegen: politieke partijen, waterschappen, provincies en anderen buitelen over elkaar heen om de zogeheten ‘bestuurlijke drukte’ te verminderen. Dat zou miljarden opleveren aan efficiencywinst. Daar lijkt het uitsluitend om te gaan, om die efficiencywinst, en dat is kwalijk. Want voor de burger is in die discussie geen plaats.

Eerst nog even over die efficiencywinst: die zal natuurlijk een stuk kleiner zijn dan iedereen nu voorgespiegeld krijgt. Er komen minder, maar grotere organisaties, en grotere organisaties werken niet per definitie efficiënter en beter. Het is merkwaardig dat de politiek aan de ene kant constateert dat in de zorg en het onderwijs de schaalvergroting niet goed heeft gewerkt en tegelijkertijd voor de eigen organisatie zo’n schaalvergroting nastreeft. En dan hebben we het nog maar even niet over de reorganisatiekosten, die ongetwijfeld hoog zullen oplopen. Nee, bij die efficiencywinst vallen nog wel wat vraagtekens te plaatsen.

Maar dat is niet het kernpunt. Juist door die focus op efficiency is de aandacht voor de burger en de democratische besluitvorming buiten beeld geraakt. Tekenend is dat de reorganisatie-propagandisten schermen met flink lagere aantallen bestuurders en volksvertegenwoordigers die hun voorstellen opleveren. Maar hoe zit het straks met het contact tussen burger en bestuurder? Nu is een wethouder, raadslid of waterschapsbestuurder voor een burger nog redelijk makkelijk bereikbaar. Het is niet altijd optimaal maar het is redelijk dichtbij. Maar stel dat het VNG-voorstel met 30 regiogemeenten onverhoopt werkelijkheid wordt. Dat hebben we 300 ‘wethouders’ voor 16 miljoen Nederlanders. Die het met alle nieuwe taken pas echt druk hebben. En dus geen tijd hebben om bijvoorbeeld bewonersavonden over nieuwe plannen bij te wonen. Of met bewoners rond de keukentafel te gaan zitten. En dat soort zaken zijn niet onbelangrijk, want de ervaring heeft inmiddels wel geleerd dat juist dat directe contact tussen bestuurders en bewoners een succesfactor is voor draagvlak van plannen en overheidsbeleid. Maar daar komen bestuurders na de reorganisaties straks niet of slechts mondjesmaat meer aan toe. Dat zal pas echt de kloof tussen overheid en burger vergroten.

Er is nog een tweede aspect: voor een goede plan- en beleidsvorming is debat nodig. Onder andere om tunnelvisie en vergelijkbare uitglijders te voorkomen. Met de regiogemeenten uit het VNG-voorstel, die vrij van discussie met andere overheden hun eigen gang kunnen gaan, wordt het risico op doordrukken van te weinig doordachte plannen nog groter dan het nu al is. Een goede, democratische besluitvorming vraagt debat, debat met de burger maar ook met collega-bestuurders. De plannen worden er beter en effectiever van en zullen op meer draagvlak kunnen rekenen. Dat kan je niet alleen aan ambtenaren overlaten, er zijn bestuurders en volksvertegenwoordigers nodig die dat debat aangaan, met ambtenaren en deskundigen maar zeker ook met de bewoners. Die 300 regio-wethouders zullen, alle goede bedoelingen ten spijt, hun regiokantoren nauwelijks meer uitkomen.

Kortom: de overheid is geen bedrijf, en efficiency mag niet de maatstaf zijn voor het overhoop halen van de overheidsorganisatie. De democratie, de zorg voor het direct contact met de burger en het debat horen de eigenlijke uitgangspunten van een herschikking te zijn. Een kleinere, efficiëntere overheid kan daarbij passen. Maar als efficiency het enige uitgangspunt is, wordt de kloof met de burger levensgroot en komt het democratische debat in de verdrukking.

Het voorstel van de VNG moet daarom zo snel mogelijk in het archief worden bijgeplaatst.

Otto Cox, juni 2010