Archief van

Gezagsdragers. De publieke zaak op zoek naar haar verdedigers

Nederland-heeft-veel-moeite-met-aanvaarden-van-gezag. Dit lijkt me een mooi boek voor de volgende keer. Thijs Jansen, Gabriël van den Brink en René Kneyber (red.) . Boom. 24,50 euro. Ik heb het besteld op basis van info inkijkexemplaar (pdf).

(Misschien leuk om te weten, voor mij in elk geval leuk om jullie te vertellen: mijn voorstel voor de considerans voor een nieuwe Wob in Nederland heeft de eindstreep gehaald en staat nu in het  wetsvoorstel van Mariko Peters van GroenLinks… (pag 56) dat begin deze maand naar de Tweede Kamer is gestuurd. Het zijn maar 65 woorden in het initiatiefwetsvoorstel, ik was ditmaal kort van stof.)

ma 18 juni: Genieten van weerstand

Op voorstel van Ingrid en Marcel (en ik ben niet tegen want ben dan sneller thuis) komen we deze keer bijeen in Brussel. Ik stel voor 16 uur café/restaurant Ketje Luxemburgplein tegenover het Europees Parlement (NMBS-station ‘Brussel-Luxemburg’). Dan weten jullie meteen ook dat een Ketje geen Zinneke maar wel een Kiekenfretter is. Dat is met het zelfde NS-kaartje vanaf Brussel-Centraal in plm 15 min te bereiken (de trein gaat eerst een stukje terug noordwaarts en buigt dan oostwaarts af).

Vanaf 16 uur genieten we a. van een wandeling door de Europese wijk onder deskundige leiding (ahum) en b. van een bezoek aan het Parlementarium en c. van wellicht nog meer. We zullen een deel lopen van de ‘lobbytour’, een wandeling langs de panden waar de ruim 15.000 Brusselse lobbyisten werken: de machtsfluisteraars die achter de schermen soms de dienst uitmaken in de EU. Lees ter voorbereiding ook het vorige week grondig herziene lemma ‘lobbyen’ op Wikipedia over deze Brusselse branche.

Om 18 uur schuiven we aan tafel op een nog nader aan te wijzen plek om te spreken over het jongste boek van Guido Rijnja, Genieten van weerstand. Hij is er vorige week op gepromoveerd in Twente en heeft 300 ex laten drukken die allemaal al op zijn. Maarr, op www.genietenvanweerstand.nl vind je het ‘schurende’ verhaal ook. Gratis, dat wel, maar geen goedkoop leesmateriaal. Het gaat over het ambtelijke perspectief op de weerstand die de overheid in haar werk ontmoet. Daar kun je last van hebben, maar je kunt weerstand ook proberen te begrijpen, te waarderen en te benutten voor de democratie. Van papier lezen kan ook, maar stop eerst 333 vellen in je printer.

Laat ff hieronder weten of je komt, dan weten we of we compleet zijn en kunnen er samenreisafspraken worden gemaakt. De trein die uit R’dam vertrekt om 13u55 komt met een overstap in Brussel-Centraal aan om 16u00 in Brussel-Luxemburg. De onnodig dure Thalystrein laat je eerst nog 20 minuten wachten tot het 16u is…

volgende leesclub 23 april 18u00

Hoi lezers, de volgende bijeenkomst is 23 april. Ik stel voor de nieuwe (3e) druk van “Culturele waarden en communicatie in internationaal perspectief”: op
http://www.coutinho.nl/winkel/culturele-waarden-en-communicatie-in-internationaal-perspectief-b-634.html vind je er meer over. Ben benieuwd naar de reacties op dit voorstel.
Rein

Framing. Over de macht van taal in de politiek. Hans de Bruijn

De ondertitel van dit boek zegt dat het bij framing gaat over “de macht van taal in de politiek”. Dat idioom dwingt na 236 bladzijden tot relativering van deze drie begrippen. Om in stijl te blijven: tot reframing van de terminologie achter macht, taal en politiek.

Rein van Gisteren

Taal
Dat taal een belangrijk ingrediënt is van een framingsrecept staat buiten kijf. Maar het gaat om meer. Het wordt al preciezer als er in plaats van taal ‘woordkeus’ zou hebben gestaan, maar ook dan is deze overtuigingstechniek er nog niet mee in een compleet denkraam geplaatst. Het gaat bij framing immers niet louter om het gebruik van taal, maar soms ook om het selectief achterwege laten ervan. Het niet noemen van iets of het wegredeneren ervan. Behalve om taal gaat het bij framing naar mijn mening ook om beeldtaal (vorm), om toonzetting, om timing en om plaats. Een politieke boodschap wint aan betekenis als deze is ingebed met behulp van de juiste beeldtaal. Spreekt een patriottistische oorlogspresident na de raketaanval stoere woorden in een bomberjack vanaf een vliegdekschip en deelt hij daarna kerstkalkoenen uit aan de manschappen, dan vormt deze beeldtaal een krachtiger victorieframe dan de retorische kwaliteit van zijn toespraak. Het beroemde Reagan filmpje “Bear in the woods” illustreert niet alleen visuele overtuigingskracht, het toont ook dat framing weglating betekent van woorden: de voice over roept alleen “stilzwijgend” beelden op van de dreiging van het communistische “Evil Empire” (p168).

Macht
In plaats van macht prefereer ik het woord invloed. Macht is iets wat je hebt, invloed is iets wat je wordt verleend of toegekend. Bij framing speel je juist op attributie in. De traditionele opvatting is, dat het bij politieke communicatie gaat om informatieoverdracht “naar een doelgroep toe” die je moet zien “te bereiken”. Dat is maar het halve verhaal. De kern van framing schuilt voor mij veeleer in de (meta)interactie. Het gaat eerder om het oproepen dan om het vestigen van betekenissen. Bij betekenisgeving gaat het om het aansluiten op en activeren van al bestaande kennis. Je voegt er slechts een klein beetje aan toe. Je bevestigt opvattingen en maakt latente indrukken manifester. In die zin zie ik een frame als een denkversneller. Een goed frame speelt in op wat de ander al dacht of veinst te denken. Het is een dualistisch concept dat andermans interpretatie van de werkelijkheid faciliteert, duidt, kadert, inkleurt en labelt. Framing vereist interactief kunnen denken, het is inspelen op gevoelens, is anticiperen op reacties, is aanbieden van een interpretatiekader, is vanzelf-sprekende metaforen opzoeken, het vergemakkelijken van aanvaarding. Maar het gaat niet om macht, hooguit in de betekenis van definitiemacht. Een oorlog heet geen oorlog als CNN er geen schotelwagens heen stuurt.

Politiek
Hans de Bruijn beperkt zijn boek tot framing in de politiek. De term politiek wordt daarbij verengd tot de activiteit van de pakweg honderd beroepspolitici die in het boek worden aangehaald. Alsof alleen politici politiek bedrijven. Buiten hen wordt er natuurlijk flink op los geframed, bijvoorbeeld door journalisten en programmamakers, door lobbyisten en actievoerders. Neem de journalistiek. Ze lopen niet alleen zichzelf versterkende nieuwsgebeurtenissen achterna (hypes), met de suggestieve vragen waarmee ze politici soms confronteren plaatsen ze hen natuurlijk ook regelrecht in allerhande frames. Zou de premier de vraag krijgen “Maar haalt u de volgende verkiezingen wel?”, dan zit het verliesframe in de vraag opgesloten. Een onenigheid wordt door de pers al ras geplaatst in het kader van politieke stampei. Ook burgers doen aan framing. Het frame zakkenvullers is nu uitgebreid met bankdirecteuren, beleggers en financiele experts.
Waarom zouden lobbyisten van de chemische industrie zoveel moeite doen om hun pesticiden semantisch om te vormen tot “gewasbeschermingsmiddelen”? Dat is omdat de bestrijding van mens en dier niet in hun frame past. Waarom en door wie is genetische manipulatie in het debat omgevormd tot modificatie casu quo “GMO’s”? Waarom zijn Israëli’s volgens joodse lobbyisten vrijwel altijd slachtoffer en zelden dader? Wie is er de bezetter van het aan de Palestijnen beloofde land? Spreken we van het versoepelen van het ontslagrecht en het harmoniseren van de zorg? Waarom “moest” de politie ingrijpen bij een demonstratie en waarom worden betogers door het journaal zelden als beschermwaardig neergezet? Kortom: politieke framing is meer dan alleen framing door een handjevol beroepspolitici.

Meer dan politiek
Framing kan ook gaan over niet politieke zaken. Ik had graag meer willen lezen over het verschil tussen framing, branding en positionering. Ik heb het idee dat framing gaat over het ‘neerzetten’ van beleid, branding over merken en positionering over personen en organisaties. Alpro communiceert zich suf om haar plantaardige toetjes “in het zuivelvak” geframed te krijgen. Rutte positioneert zich nu als een pater familias annex bruggenbouwer en de branding van Douwe Egberts heeft niets met het branden van koffie maar alles met de verkoop van huiselijke gezelligheid te maken.

Ben benieuwd naar jullie bevindingen!

Nederland buiten kennis

— Vervolgbijdrage voor onze komende bespreking van Nussbaum: over de economisering van onderwijs en wetenschap —

Een lichtend voorbeeld van mercantiele verblinding levert Jan Kamminga in VPRO’s Tegenlicht. De gewezen provinciebestuurder trad op 7 november 2011 op als tv-lobbyist voor de hightech industrie. Tegenlicht ontblootte de zielenroerselen van een liberaal bij zijn laatste gang langs succesrijke ondernemers. De paradepaardjes van Hollandse handelsgeest en vernuft.

Het promofilmpje VPRO’s Tegenlicht staat op http://www.youtube.com/watch?v=-BVZ_HIj5rg&feature=player_embedded

Kamminga toonde in de reportage louter belangstelling voor de economische bijdrage van de bètavakken en voor het corporate image van de bv Nederland. Hij laat zich denigrerend uit over opleidingen als sociologie, sportmanagement en psychologie. In stijl met de VOC-gedachte: studies als deze leveren geen winst maar ‘geleuter’ op. Toch? Een populaire klaagzang was het, op ‘leuke’ leuterstudies. Voor wie deze analyse op zich laat inwerken is het vrij logisch dat Kamminga’s eigen dochter psychologie ging studeren. Zouden de Staten van Gelderland hem als CdK niet reeds hebben heengezonden met een motie van treurnis, dan hadden ze het na deze uitzending alsnog gedaan. Maar dan zonder buitenissige receptie.

Ook de programmamakers koppelen investeringen in onderwijs vrij kritiekloos aan terugverdienen. Meer onderwijskwaliteit is natuurlijk altijd welkom, ook als werkgevers dat bepleiten. En het is ook niet minder welkom als het pleidooi afkomstig is van een VVD-bobo die zelf ooit op de hbs zat, een onderwijstype dat hem een brede algemene ontwikkeling had moeten bezorgen. Maar met zijn permanente vorming daarná moet iets zijn misgegaan. Kamminga heeft een louter economische neus ontwikkeld voor groei en bloei. Als een Rupsje Nooitgenoeg legt hij meer en beter alleen in materiële zin uit. Kamminga laat individuele ontwikkeling als belangrijkste pedagogische ‘eindproduct’ onbelicht. Hij is een slecht ambassadeur voor de humaniora, voor de vrije wetenschap en voor het nut van brede vorming. Met geen woord rept de brallende krijtstreepdrager vanuit zijn donkere dienstauto over het maatschappelijk rendement van creativiteit, tittel noch jota wijdt hij aan burgerschapsvorming, niets zegt hij over het ontwikkelen van kritische geesten om over het belang van zelfstandig leren denken maar te zwijgen. Sociale engineering past niet in ‘s mans denkraam. Alleen techniek telt.

Voordat haar professie is opgedoekt kan wellicht de psychologe Kamminga verklaren hoe het komt dat haar bezorgde vader zoveel angst tentoonspreidt voor de aantasting van onze welvaart. Normale mensen zijn bang voor beleggers en bankiers, maar voor Kamminga is het de bijna xenofobe vrees dat ‘ons land’ linksom of rechtsom worden ingehaald door wijsneuzen uit China. Ja ook uit India, dat Kamminga in verband brengt met de hulpactie ‘Eten voor India’. Een derdewereldland dat nu knapper dreigt te worden dan onze eigen poldertechnici. Wat hij toch vooral voorkomen wilde is dat het westen wijsheid uit het oosten zou moeten importeren. Kappen met die ontwikkelingshulp!

In de praktijk roepen de werkgevers die Kamminga vertegenwoordigt vooral om toegepaste kennis. In de reportage van Tegenlicht werd de verwelkoming van hoogopgeleide kenniswerkers die voor een fabriek uit Veghel worden ingevlogen vergeleken met het ‘onthaal’ dat asielzoekers en prostituees ten deel valt. Als Kamminga tijdens zijn maatschappelijke vorming had mogen oefenen in sociale vaardigheden had hij deze respectloze vergelijking niet ongecorrigeerd laten passeren. Asielzoekers komen naar hier uit landen waar burgerlijke vrijheden soms niet eens op papier staan. En alleen de meest kansrijke economische vluchtelingen geraken hier om er achter te komen dat de principes van de vrije markt wél voor export van goederen, maar slechts selectief voor de import van de factor arbeid gelden. Geen werkers, wel kenniswerkers. Flitskapitaal mag zich in het denkraam van Kamminga woekerend over de wereld bewegen, kennis horen we hier voor onszelf te houden.

Ik moest bij Kamminga’s woorden over India denken aan een persoonlijke ervaring. Ik woonde een lezing bij van een deskundige uit Bangla Desh. Ze had de westerse ouderenzorg intensief bestudeerd en deed daarvan op boeiende wijze verslag. Kritische noot uit de zaal: wat ze ginds met die kennis ging doen? Haar antwoord was slimmer dan de vraag: “Niets”. Ze hoopte dat we ervan kon leren voor onze ouderenzorg…

Mondigheid of markt?

Kenniseconomie. Het woord zegt ‘t al…

De Nederlandse regering vindt onderwijs en innovatie erg belangrijk. Het nieuwe ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie krijgt hierbij een sleutelrol. Samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen is cruciaal. Een plek ambiëren in de internationale top-5 van kenniseconomieën… Onderwijs als software van onze economie…

-1 november 2011, door Rein van Gisteren-

Zouden politici die zich liberaal noemen het belang van de ‘liberal arts’ ook onderkennen? Die vraag dringt zich op als je de regeringsverklaring herleest. Onderwijs is er om te verdienen en burgers orden je naar hun economisch nut. In het politieke oeuvre van jeune premier Rutte, historicus en gewezen staatssecretaris van OC&W is het lang zoeken naar passages over de vorming van kritische geesten en mondige burgers. Democratie louter als vierjaarlijkse onderhoudsbeurt?

In Niet voor de winst, Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft, haalt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum fel uit naar lieden die onderwijs, wetenschap en cultuur voortdurend economiseren. Leren, onderzoeken en ervaren dienen nu vooral het marktbelang. De geesteswetenschappen hebben het zwaar. Deze ‘humaniora’ horen echter geen overbodige franje te zijn, maar de brede basis voor elke vakopleiding. De echte software voor vrij denken wordt geleverd door taal, geschiedenis, filosofie en cultuur. Ik vind dat in zo’n regeringsverklaring de nadruk moet liggen op het ontwikkelen van vermogens om leerlingen geen consument maar juist producent van democratie te laten zijn. Dat is pas groei.

De bètavakken hebben het in het heersende mercantiele klimaat makkelijk om hun bestaansrecht te bewijzen. De geesteswetenschappen hebben het er veel moeilijker mee, schrijft Nussbaum. Hun subsidies, medewerkers- en studentenaantallen dalen. Ze bedoelt het vast niet, maar wat ze in haar boekje impliciet lijkt te bevestigen is dat taal, geschiedenis, filosofie en cultuur weinig economisch nut zouden dienen. Dat de humaniora er maar niet in slagen om de noodzaak van hun vakgebied te verzilveren stelt zij weliswaar vast (p.169), maar ze lijkt dat probleem ook te accepteren. De lezer die haar nieuwste boek dichtslaat blijft achter met de vraag waarom de ‘liberal arts’ uitgerekend in haar eigen land, bolwerk van kapitalistisch denken, méér draagvlak hebben dan hier in Europa.

De achterflap van het boek zegt dat Nussbaum met voorbeelden van onderwijsontwikkelingen in verschillende landen laat zien hoe [cursivering RvG] een herwaardering van de geesteswetenschappen ertoe kan bijdragen dat leerlingen weer worden opgevoed tot mondige, democratische burgers. Ik sloeg het boekje dicht met de constatering dat dat hoe beter vervangen kan worden door dat, want ik ben met die hoe-vraag blijven zitten. Met welke argumenten overtuig je economisch denkende mensen dat ‘vormende vakken’ geen luxeartikel zijn? Vooral met economische argumenten zou je zeggen. Of met argumenten dat hun visie op de mens gebrekkig eenzijdig is.

Het negatieve bewijs is makkelijk te leveren. De economische crisis legt een schrijnend gebrek bloot aan Bildung, altruïsme en moraal onder mensen als bankiers, beleggers en toezichthouders. Hun wereld is een incrowd zonder zelfcorrectie. De buitenstaanders die dat vertrouwen beroepshalve hadden moeten toetsen, blijken met het systeem te zijn vergroeid. Accountants, notarissen, kredietbeoordelaars en publieke toezichthouders rekruteren naar blijkt geen mensen uit de tegencultuur. Hoeveel opleidingstijd besteden economen aan de geesteswetenschappen? Zo te zien bitter weinig.

De economische crisis illustreert een gebrek aan democratisch gelegitimeerde tegenkracht. Degenen die het graaien hadden kunnen voorkómen en daarmee het vertrouwen hebben verspeeld bedelen er nu schaamteloos opnieuw om. Het besef dat dat vertrouwen al lang was weggegeven is goeddeels afwezig. In feite wordt het niet gevraagd, maar afgedwongen.

Hoe krijgen we de geesteswetenschappen tussen de oren van mensen die het sociale gevoel ontberen? Het antwoord is lastig omdat je er politieke machtsverhoudingen mee ter discussie stelt. Wie betoogt dat het vigerende systeem een eenzijdig en kwaadaardig beeld van ‘groei’ propageert in plaats van een ecologisch of humaan gekleurd groeibeeld, tast er hun wereld mee aan. Een wereld die leerlingen liever leert plooien in plaats van zich te ontplooien. Waar uitleggen belangrijker is dan zelf denken. De humaniora zijn straks een kwestie van aanvullend onderwijs voor ouders die het kunnen betalen.

Nussbaum gaat in haar maatschappijkritiek niet tot het gaatje. Door wel het probleem indringend te duiden, maar de hoevraag aan de lezer over te laten past ze een belangrijk principe toe van de wijsgeer die ze in haar boekje een dozijn keer aanhaalt. Socrates, de eerste communicatiewetenschapper, die excelleerde in het stellen van vragen. Wie heeft er antwoorden?

Ben benieuwd naar jullie opvattingen!

21 november: Martha Nussbaum

Op 21 november 2011 hebben we het over de zojuist verschenen vertaling van Not for profit van Martha Nussbaum: Niet voor de winst. Subtitel: ‘Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft’. ISBN 9789026324048

Op http://www.athenaeum.nl/recensies/not-for-profit-martha-nussbaum zie je een introductie op dit boek (213 pag) met fundamentele kritiek op de ‘efficiente’ manier waarop we onze kinderen onderwijzen. Alleen cijfers lijken nog te tellen. Mensenkennis, verbeeldingskracht en empathie leer je niet meer . Wanneer is er op school weer (meer) tijd voor kunst, cultuur en democratisch besef?

Het economisch kortetermijndenken heerst alom. Het heeft een ‘stille overname’ gedaan in de onderwijswereld zou Noreena Hertz zeggen. Kritisch denken maakt steeds vaker plaats voor volgzaamheid. Kennis is alleen van belang als het financieel nut oplevert. Moet ons onderwijs alleen werknemers opleiden of ook democratisch gezinde staatsburgers?

Kom je de 21e ook? Meld je dan even aan bij Carolien.

Terreur is communicatie. Contraterreur ook.

Als inleiding op onze ontmoeting op 5 september 2011, een aantal gedachten ter bevordering van de discussie over en naar aanleiding van het keuzeboek. ‘Nine eleven’ is die week precies tien jaar geleden…

28 augustus 2011 door Rein van Gisteren

Historica Beatrice de Graaf bestudeerde ervaringen met de strijd tegen terreur in vier landen: Nederland, Duitsland, de VS en Italië. Zonder dat het met zoveel woorden op de kaft staat, gaat haar boek over communicatie in relatie tot terreur en contraterreur. Het geweld en vooral de intimidatie zijn immers een radicale communicatiedaad, een reactie op vermeend onbegrip. Hoe moet je deze duiden? Welke tegenreactie roepen ze op bij dader of bestrijder en hun publieksgroepen? Wat is de rol van symboliek en stigma’s? Wanneer leidt doodzwijgen tot extinctie? Wat waren de effecten van de Dutch approach en van de repressieve aanpak van bijvoorbeeld de Duitsers? Hoe voorkom je escalatie en wanneer pakt contraterreur contraproductief uit? Met welke manoeuvres werk je het ideaal van terroristen onbedoeld in de hand? Een leerzaam en onthullend vakboek over metacommunicatie.

–Al in 1968 rapporteert de CIA dat er geen sprake is van steun door Russen of Chinezen: achteraf blijkt ‘Angela Davis’ – tegen haar wil – vooral een sociale constructie te zijn van haar bestrijders. De staat zocht een mikpunt voor het rechtvaardigen van zijn communistenjacht. Men had er zelfs geen moeite mee om bewijsmateriaal te creëren. Beatrice de Graaf signaleert fijntjes dat het einde van de gevreesde Weather Underground samenviel met de val van president Nixon en FBI-chef Hoover…–

Haar studie heet THEATER VAN DE ANGST. De term theater zou ik willen vertalen met strijdtoneel. Het gaat bij terrorisme niet zozeer om de fysieke plaats maar om het veroveren van de sociale ruimte, om afgedwongen aandacht voor de ‘voorstelling’ van een onbekende ideologie. Opdrachtgever voor het boek was de Nederlandse Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding die ook het voorwoord leverde. Het (empirische / beschrijvende) begin ervan verslaat de tijd van de Rode Jeugd, de Molukse gijzelingen, de Rote Armee Fraktion, de Weather Underground Organisation en de Brigate Rosse. Zeg maar de vorige eeuw vanaf eind jaren zestig. Hoe reageerden overheden toen op (vermeende) dreigingen en aanslagen? En welke lessen kunnen we daar nu uit trekken?

Begrippen als terreur en contraterreur zijn inwisselbaar. Ze zijn verbonden met een ideologie. Het boek beschrijft terreur vanuit het perspectief van de overheid als terreurbestrijder. Dat is een perspectief waar soms ook vragen bij zijn te stellen omdat staatsterreur (die natuurlijk net zo goed vraagt om een contrastrategie) er buiten valt. Zo blijft de Franse bomaanslag in 1985 tegen Greenpeace buiten het kader van dit boek. Vanuit een democratisch perspectief hield ook Gladio zich in Europa bezig met staatsterreur, maar alleen de opheffing van de Nederlandse tak ervan (onder Lubbers in 1992) is parlementair gelegitimeerd.

–Een cartoon in De Morgen van 25 augustus 2011 verbeeldt de impact van staatsterreur. ‘Kadhafi is gevonden’, zegt de een. ‘Hij zit in ons hoofd’, bevestigt de ander.–

Het is een intrigerend en soms ook hilarisch onderzoek waar ik dankzij VPRO’s boekenman Wim Brands begin 2010 op stuitte. De Graaf heeft het over ‘een veelvoud aan spannende, tragische, opmerkelijke en absurde verhalen’. En dat is niet overdreven. Dat de Eindhovense Rode Jeugd moet zijn geïnfiltreerd, kon je wel bevroeden, maar dat ze ooit voor driekwart (!) bestond uit BVD-ers schreef ik tot voor kort toe aan paranoïde geesten. BVD-ers, niet aan de slag voor de revolutie maar voor het Rijk… Het jongensboekgehalte is nog hoger. Een poster uit 1973 toont een ontmaskerde BVD-infiltrant met de schuilnaam J. de Roo… Een anagram dat voor driekwart klopt, net zo gemankeerd als de Rode Jeugd zelf. Maar, het is de BVD wél gelukt om de werking van deze terreurgroep van binnenuit zo te verstoren dat haar dreiging kon worden geneutraliseerd. Andere eyeopeners in het hoofdstuk over Nederland vond ik de rivaliteit van ambtelijke diensten, de competentiestrijd tussen bestuurders en de relatief late erkenning die contraterrorisme kreeg binnen de structuren van de staat.

–Bij 10.515 aanslagen in Italië vielen liefst 351 doden. Het betrof niet alleen geweld van de Rode Brigades. De Graaf maakt plausibel dat de overheid er zelf diep in zat. Maar de Italiaanse archieven zijn of weg of nog steeds gesloten. Huiveringwekkend is het te lezen dat er in Italië ook aanslagen in scene zijn gezet om de politieke status quo via een sfeer van collectieve angst en repressie te kunnen handhaven. Onthullend vond ik dat François Mitterrand (ja, dezelfde president die persoonlijk opdracht gaf voor de aanslag op de Rainbow Warrior), uit verontwaardiging over de strenge antiterrorismewetgeving, gevluchte Italiaanse radicalen beloofde niet uit te zullen leveren.–

Een studie als deze is niks zonder de introductie van een ingewikkelde term. Sleutelbegrip werd: performativiteit ofwel performative power. Het voordeel daarvan is dat je dan weer wat uit te leggen hebt. De auteur verklaart het via onder meer ‘voorstellings- annex overtuigingskracht’. Woorden die volgens mij ook in de buurt komen, zijn mobiliseringpotentieel en vertel- of zeggingskracht of zo je wilt de narratieve impact om een tereurgerelateerd voorval te kunnen duiden. De Graaf verbindt haar term vooral aan contraterreur, maar hij is natuurlijk net zo goed bruikbaar voor het onderzoeken van de betekenis van initiële terreur.

–Na een terreurdaad dringen de duiders zich meteen op. Van welke kant kwam de kogel? Bij ‘Oslo’ leek het om de vraag te gaan welke politicus er als eerste in slaagt om de ander te dwingen er óók krachtig afstand van te nemen. Journalisten doen meer dan alleen neutraal registreren: ze selecteren, articuleren, activeren, participeren en mobiliseren. De media beschikken over een grote definitiemacht. Terreur krijgt pas betekenis door de reactie die zij er aan verlenen. Zo werd nine eleven een icoon. Andere catastrofes met meer doden kregen die betekenis niet, omdat CNN er geen schotelwagens heeft staan. De traditionele journalistiek werkt als kluitjesvoetbal. Zodra er ergens een bom barst vliegen hele meutes reporters er op af en prevelen voorspelbare clichés. Hoe Is De Situatie Bij Jou Nu? Slotzin: ‘Als er tijdens de uitzending nog ontwikkelingen zijn, dan komen we nog bij je terug.’ Journalistiek met de diepgang van een hovercraft.–

De Graaf noteert een markant gegeven. Soms wordt terreur pas door geschiedschrijvers als zodanig geduid. ‘Gijzelingen en kapingen in Drenthe’ linken we aan het gewelddadige Zuid-Molukse verzet. Wiedes. Maar waarom de bankovervallen uit 1970 en 1971 niet? Omdat ze toen door de overheid niet werden gekoppeld aan het RMS-ideaal. Ze werden onder de mat van de Trêveszaal geveegd. Een voorbeeld is ook de terughoudendheid over de in Nederland in 1974 en 1975 verijdelde aanslagen van Palestijnse commando’s. Ze kregen pas een plek in de geschiedenis toen het beoogde effect onschadelijk leek. Ook in 1969 werd een Palestijnse aanslag in Den Haag niet als een terreurdaad gedefinieerd. De Telegraaf was toen nuchter en kopte: ‘Arabische kinderen wierpen granaten’.

Performativiteit is volgens de auteur het verzamelbegrip voor parameters als agendasetting (formulering, vormgeving), draagvlak en discours (verklaringen, wetsvoorstellen, maatregelen, uitlatingen van ministers). Is de performativiteit van de terrorismebestrijding gering, dan heeft deze over het algemeen sneller een neutraliserend effect op radicalisering en politiek geweld dan wanneer zij als een meeslepend drama wordt aangepakt. De effectiviteit van de bestrijding wordt niet vanzelf groter door méér macht, bevoegdheden of middelen. De Graaf concludeert dat de keuze voor ‘punctuele’ misdaadbestrijding, terughoudend taalgebruik en een zekere mate van geheimhouding op de (middel-)lange termijn de beste resultaten oplevert voor het behoud van de maatschappelijke vrede. De Noren deden het deze zomer slimmer: geen isolationisme, maar een roep op ‘meer democratie’.

Contraterrorismebeleid wordt door de auteur al ras gekoppeld aan centrále maatregelen door de overheid. Dat is logisch voor wie het fenomeen ordent langs de lijnen van de vier rechtsstaten waar je je in je onderzoek op focust. Maar er vallen volgens mij ook vragen te stellen bij de centralisatiereflex die zich traditioneel meester maakt van onderzoekers, bestuurders en journalisten. Terrorisme is een asymmetrische geweldsreactie waarbij rechtsstaat en landsgrenzen juist een geringe betekenis hebben. Vanuit de rampenbestrijding weten we: tijdens een incident moet je opschalen, maar daarna moet je weer zo snel mogelijk terug naar de basis. Het afleggen van verantwoording hoort daar als vanzelfsprekend bij. De dwanggedachte dat de overheidsaanpak slagvaardiger wordt mits zij wordt gecentraliseerd verdient een nadere bezinning.–

–Ideologisch geweld en de weerbaarheid tegen -ismen bestrijd je preventief vanuit de basis via onderwijs en opvoeding. Bange mensen conditioneren hun kinderen, anderen leren hun kroost omgaan met hun vrijheden en met die van anderen. Jeugdzorg, cultuur, buurtwerk en sport zijn een voedingsbodem voor het ontwikkelen van een democratisch besef en een middel om opkomend onheil zoals radicalisering te monitoren. In die brede zin is contraterrorisme géén exclusieve taak voor centrale veiligheidsdiensten.–

Overreacties kunnen contraproductief uitpakken. Ze kunnen onveiligheidsgevoelens versterken. Hysterische overheidsreacties kunnen tegengeweld uitlokken. Provocerende oneliners zoals ‘War on Terror’ en de ‘Axis of Evil’ en ongefundeerde uitspraken over ‘Weapons of mass destruction’ verkleinden het aanzien van de regerende macht in de VS. Ook de Nederlandse overheidscampagnes om burgers alert te maken op ‘iets verdachts’ kunnen precies het tegenovergestelde effect sorteren. Ik heb nog geen positieve evaluaties kunnen vinden.

NTCb-topman Erik Akerboom merkt in zijn voorwoord op dat Beatrice de Graaf laat zien dat een sterkere focus op chirurgische operaties van inlichtingendiensten en politie wellicht een gunstiger effect sorteren, dan grootschalige alerteringscampagnes of een demonstratieve etalering van staatsmacht. Helemaal mee eens. Ook met de conclusie die Akerboom er aan verbindt, dat dit impliceert dat elke maatregel die wordt genomen tegen het terrorisme, voortdurend gemonitord moet worden op de effecten van bewuste of onbewust uitgezonden overheidsboodschappen. Vooral dat laatste vind ik een belangrijk studiedoel, aandacht voor onbedoelde neveneffecten van overheidsbeleid.

 

 

overheidscommunicatie

Dag meelezers,
Een Wikipediapagina over overheidscommunicatie bestond nog niet, maar nu wel. Ik heb ‘m enkele maanden geleden on line gezet en vervolgens nog wat aangescherpt. Wie er op wil reflecteren, ik hoor ’t graag.

Volgende bijeenkomst: 5 sept 2011, 18u

De volgende bijeenkomst is op 5 september 2011. We verzamelen nog suggesties, dus graag reageren met een ja of nee op mijn voorstel dat we gisteravond bespraken: THEATER VAN DE ANGST, van Beatrice de Graaf, over de strijd tegen terrorisme in NL, DE, IT en VS. (Boom). Zij deed een vergelijkend onderzoek naar de ervaringen in deze 4 landen. Nationaal coordinator terrorismebestrijding Erik Akerboom benadrukt in het voorwoord het belang van nadenken over de presentatie en communicatie van de contrastrategie: het tonen van chirurgische operaties van inlichtingendiensten en politie heeft vlg hem wellicht een gunstiger effect (op de publieke opinie) dan grootschalige alerteringscampagnes of het demonstratief etaleren van staatsmacht (Waar de Duitsers/RAF, Italianen/Brigate Rosse en Amerikanen zo goed in zijn). Op http://media.leidenuniv.nl/legacy/interview-beatrice-de-graaf-over-haar-boek.pdf een interview met haar.
Interessante en actuele gedachte vind ik vandaag in hoeverre ‘al quaida’ in communicatief opzicht een construct is van de (Amerikaanse) bestrijders ervan. Om dichter bij huis te belijven, ook de ‘Hofstadgroep’ heeft zichzelf nooit onder die naam aan het publiek gepresenteerd. Ik heb ze althans niet in het telefoonboek van Den Haag kunnen vinden 😉 De aandacht die zulke asymetrisch operererende clubs genereren (of liever: van ons krijgen) bepaalt tevens hun kracht. Ik heb het idee dat we het in NL het nog niet zo gek doen met onze ‘Dutch approach’. De malle publiekscampagne van enkele jaren geleden uitgezonderd… In NL is de campagne gedoofd, maar hier in Brussel kom je nog wel rare stickers tegen in de metro (iets verdachts gezien?), die je niet productief alerteren, maar je eerder een unheimisch gevoel bezorgen.